De geheimen van de grondstofhandel

Handelshuizen in grondstoffen verdienden sinds 2003 250 miljard dollar, onthult de FT. De geheimen van een grootmacht.

De handelshuizen in graan, olie en andere essentiële grondstoffen moeten ethisch en transparant zaken leren doen. Laten ze dat na, dan zullen ze net zo geslachtofferd worden door toezichthouders en het grote publiek als de banken. Dat zei Greg Page, de CEO van Cargill, in een toespraak tot de FT Global Commodities Summit in het Zwitserse Lausanne. "Men gelooft dat wij onze markten manipuleren net als met Libor gebeurde. Niets is minder waar." 

Page sprak twee dagen nadat de Financial Times een groot onderzoeksverhaal publiceerde naar Cargill en zijn rivalen. Elf van de twintig grootste handelshuizen in grondstoffen zijn familiebedrijven; de hele sector publiceert al decennia lang zo weinig mogelijk cijfers, praat zelden met journalisten en opereert zoveel mogelijk in de luwte. De FT heeft wereldwijd documenten verzameld en gesprekken gevoerd om deze even mysterieuze als machtige sector in kaart te brengen. 

Op grond van zijn onderzoek schat de zakenkrant de gezamenlijke winst van de handelshuizen sinds 2003 op
250 miljard dollar. Dat is meer dan Toyota, Volkswagen, Ford, BMW en Renault in die periode bij elkaar hebben verdiend. Meer ook dan wat Goldman Sachs, JP Morgan en Morgan Stanley overhielden. Stijgende grondstofprijzen en de snelle groei van China, de grootste grondstoffenslokop op aarde, hebben de handelsfamilies steenrijk gemaakt. 

Oogsttijd zonder weerga voor grondstoffenhandelaren

Voor de handelshuizen waren de laatste tien jaren een oogsttijd zonder weerga. In 2000 maakten zij gezamenlijk nog maar 2,1 miljard dollar winst. De laatste tijd gaat het overigens weer meer die kant op. Vorig jaar verdienden zij 33,5 miljard dollar, grofweg hetzelfde niveau als de vijf jaren daarvoor. Het Nederlands-Zwitserse Vitol, de grootste oliehandelaar ter wereld, verdiende in 2012 1,05 miljard dollar, minder dan de helft van het hoogtepunt in 2009. 

Het rendement op het eigen vermogen, rond 2005 nog 50 tot 60%, schommelt nu rond de 20 à 30% – nog altijd een benijdenswaardig percentage. Sommige bedrijven, zoals Louis Dreyfus, weten zich tot dusver aan deze trend te onttrekken, maar als geheel lijdt de sector momenteel onder de stagnatie in de ontwikkelde wereld en de slomere groei in de opkomende markten. Ook neemt de concurrentie tussen de handelshuizen scherp toe. 

Het grote FT-verhaal opent met een anekdote die treffend illustreert hoe machtig de handelshuizen zijn geworden. Vorig jaar creëerde Igor Sechin van de Russische staatsoliemaatschappij Rosneft de grootste olieproducent ter wereld door TNK-BP over te nemen. Toen hij de koopsom van 55 miljard dollar niet gefinancierd kreeg door banken, belde hij Ian Taylor en Ivan Glasenberg, de CEO's van Vitol en Glencore. Binnen enkele weken leende het duo tien miljard dollar aan Rosneft. 

"Deze bedrijfstak is een zwart gat"

Jarenlange olieleveranties door Rosneft fungeren als onderpand voor hun lening. Dit soort van machtsvertoon, gevoegd bij de geslotenheid van de sector en de wilde koerssprongen op de grondstoffenmarkten de laatste jaren, voeden de gedachte dat de handelshuizen speculeren in voedsel en brandstoffen ten koste van consumenten, vooral in de armere landen. Ook krijgen zij veel kritiek van NGO's vanwege hun warme relaties met foute regimes als in Iran en Soedan. 

"Deze bedrijfstak is een zwart gat," zegt Oliver Classen van de Berne Declaration, een actiegroep die ijvert voor meer transparantie in de grondstoffenhandel. Zwitserland, waar de meeste handelshuizen hun domicilie hebben, heeft onlangs openlijk toegegeven dat de sector "niet is onderworpen aan enig toezicht". Door hun activiteiten en filialen slim te spreiden betalen de huizen bovendien nauwelijks belasting. De Zwitsers gaan nu hogere belastingen heffen. 

Daarnaast wordt er wereldwijd hard gewerkt aan nieuw toezicht op de grondstoffenhandel. Tussen 1985 en 2000 had de sector het moeilijk. Veel handelshuizen vielen om of werden overgenomen door grote olieconcerns. De overlevers hadden het rijk alleen en bouwden machtige marktposities op. Zo produceerden de vijf grootste oliehandelaren – Vitol, Glencore, Trafigura, Mercuria en Gunvor – in 2012 meer olie dan de VS, China en Japan samen importeren. 

Eén op de zeven kopjes koffie komt uit Hamburg

De ABCD-groep – ADM, Bunge, Cargill en Dreyfus – controleert meer dan de helft van de wereldhandel in graan en soja. Glencore en Trafigura vormen een duopolie dat sommige markten, zoals die voor zink, voor 60% of meer in handen heeft. Sommige nichemarkten zijn bijna privéterrein voor volslagen onbekende spelers. Zo komen de bonen voor één op de zeven kopjes koffie die op aarde iedere dag worden gedronken van de Neumann Kaffee Gruppe in Hamburg.

De marktdominantie en financiële vuurkracht van de handelshuizen, zoals gedemonstreerd door de miljardenlening aan Rosneft, roepen de vraag op of naast de banken niet ook de handelshuizen too big to fail zijn geworden. Zij beperken zich allang niet meer tot de handel. Het Amerikaanse Cargill bijvoorbeeld, met 140.000 medewerkers in 65 landen, produceert chocolade, slacht rundvlees, belegt geld van pensioenfondsen in grondstoffen en runt een vloot schepen. 

Toch zijn de handelshuizen door de bank genomen geen plaag maar een zegen voor de wereld, betoogde Cargill-topman Page in Lausanne. Volgens hem vervullen zij een cruciale rol als bemiddelaar tussen landen en regio's met overschotten en tekorten aan grondstoffen. Maar willen zij erkenning voor die rol, dan moeten zij openheid van zaken geven en laten zien dat zij ethisch handelen. "Wij hebben lessen te leren uit wat de banken de laatste jaren is overkomen." 

 

De Redactie van IEXProfs bestaat uit verschillende journalisten. De informatie in dit artikel is niet bedoeld als professioneel beleggingsadvies, of als aanbeveling tot het doen van bepaalde beleggingen. Het is mogelijk dat redactieleden posities hebben in een of meer van de genoemde fondsen. Klik hier voor een overzicht van hun beleggingen.

De impact van het coronavirus