Column

Tak laakt beleggingsadvies Commissie Parameters

Laat maar zitten, die hele discussie over de rekenrente en resultaten van pensioenfondsen, aldus Marcel Tak. De Commissie Parameters zal voor de periode 2020-2025 aangeven hoe hoog aandelen - en obligatierendementen zullen zijn en zij zullen een voorspelling doen voor de rekenrente.

Gelukkig hebben we de Commissie Parameters nog! Deze commissie maakt de hele discussie over de rekenrente en de beleggingsresultaten van onze pensioenfondsen overbodig.

Want de Commissie Parameters zal voor de periode 2020-2025 aangeven hoe hoog de aandelenrendementen zullen zijn. Minstens zo belangrijk is dat de Commissie een "voorspelling" zal doen van de rekenrente en de rendementen op obligaties.

De Commissie wordt vanaf 2009 regelmatig ingesteld om op basis van zijn analyses de pensioenfondsen een kader te geven waarmee ze aan de slag kunnen met hun beleggingen en de premievaststelling.

Dijsselbloem als goeroe

De leden van de glazenbollenclub worden om de paar jaar benoemd en wordt dit keer voorgezeten door Jeroen Dijsselbloem, onze oud-minister van Financiën. Dat is grappig.

Een belangrijk uitgangspunt van het beleid van het Ministerie van Financiën is dat bij de financiering van het overheidstekort geen rentevisie wordt gehanteerd. Of de rente nou hoog of laag is, of er redelijkerwijs een stijging of een daling van de rente te verwachten is, het maakt niet uit.

De minister van Financiën geeft staatsleningen uit met looptijden die passen in een prudent financieringsbeleid, zonder daarbij enige renteverwachting te betrekken. De tot voor kort visieloze Dijsselbloem mag nu los als goeroe en zijn verwachtingen zullen als belangrijk kader dienen voor het beleid van de pensioenfondsen in de eerste helft van de jaren twintig.

Alles behalve arm

Zijn prognoses zullen met argusogen worden gevolgd. Bijna dagelijks is er gedoe over ons pensioenstelsel. Veel pensioenfondsen hebben problemen, een slechte financiële positie, dreigen met kortingen op de pensioenen of het verhogen van de premies.

Als u de discussie over ons pensioenstelsel volgt, zou u denken dat het om een armlastige sector gaat, met lege pensioenpotten. Dat valt alleszins mee. Het totale vermogen van de pensioenfondsen bedraagt een slordige 1.400 miljard euro.

Op een totale beroepsbevolking van circa negen miljoen, betekent dat een gemiddeld gespaard pensioenbedrag van ruim 150.000 euro per persoon. Dat lijkt mij eerlijk gezegd geen slecht uitgangspunt en zou toch tot enige relativering van onze problemen behoren te leiden.

Ouderen een groter deel pot

De discussie over ons pensioenstelsel spitst zich toe op de vragen hoe het eigendom van de pensioenmiddelen is verdeeld en wie de onzekerheid over het toekomstig rendement moet dragen.

De eerste vraag, hoe is het eigendom van de pensioenmiddelen verdeeld, is relatief gemakkelijk te bepalen. Immers, het is duidelijk wat de inleg van elke pensioendeelnemer is geweest met het daarbij gerealiseerde rendement op deze inleg.

In werkelijkheid is het eigendomsrecht echter veel complexer vanwege allerlei solidariteitsmechanismen in het stelsel. Maar hoe u het ook bekijkt, het is duidelijk dat de oudere generaties een veel groter deel van de pot bezitten dan de jongere.

Gratis putoptie

Dat is logisch, de pensioenpiepers hebben nog een leven lang voor de boeg om hun nu nog spaarzaam gevulde potjes te vullen. Hopelijk behalen zij op die inleg net zulke mooie rendementen als de oude generatie. Maar zeker is dat natuurlijk niet.

Daarmee komen we op het tweede belangrijke punt en dat is hoe met het toekomstig rendement wordt omgegaan. Onze pensioenfondsen beleggen de middelen voor een belangrijk deel risicodragend.

Maar voor de schatting van het toekomstig rendement wordt uitgegaan van de risicovrije lange rente. Dat betekent dat in dit opzicht de oude generatie feitelijk een gratis putoptie aan de jonge generatie verstrekt.

Altijd meer welvaart

Als langetermijnrendementen inderdaad tegenvallen, betalen ouderen in de vorm van een lager pensioen. Als op lange termijn de pensioenrendementen toch meevallen, profiteren de jonge generaties daarvan en niet, of in veel mindere mate, de oudere.

Feitelijk wordt de oude generatie een deel van het fraaie rendement uit het verleden afgenomen ten gunste van de jongere generatie. U kunt zich afvragen of deze solidariteit terecht is.

Elk tijdsgewricht heeft zijn eigen specifieke karakteristieken. U kunt in zijn algemeenheid stellen dat de huidige generatie in alle opzichten van meer welvaart geniet dan de nu oude generatie heeft gedaan.

Optimistische verwachtingen

De solidariteit van de oude generatie zit in de opbouw van een maatschappij die de jonge generatie veel kansen geeft. Waarom er ook een rendementssolidariteit moet zijn op toekomstige beleggingen, is eigenlijk helemaal niet zo vanzelfsprekend.

Maar goed, de Commissie Parameters gaat nu aan de slag. De eerste Commissie in 2009 was verdeeld in zijn advies. De meerderheid voorspelde voor de periode 2010 tot en met 2012 een gemiddeld jaarlijks (meetkundig) aandelenrendement (beursgenoteerd) van 6%, terwijl de (risicovrije) obligaties 3,5% à 4% zouden opleveren.

De minderheid was meer optimistisch met betrekking tot aandelen en verwachtte dat deze beleggingscategorie jaarlijks gemiddeld 7,25% zou opleveren. De inflatie zou volgens de hele commissie 2% bedragen, terwijl de contractloonstijging op 3% zou uitkomen.

7% aandelen, 2,5% obligaties

Lekker, zo’n verdeeld advies, dacht Den Haag en de regering hield de parameters gelijk aan die op dat moment al werden gehanteerd. Dat betekende onder meer een verwacht jaarlijks aandelenrendement van 7,5% en een risicovrij obligatierendement van 4,5%.

In 2010 besloot het kabinet toch maar voorzichtigheidshalve het (verwachte) aandelenrendement te verlagen naar 7%. Dat zou tot 2012 gelden, maar ze werden pas in 2015 vervangen op basis van het advies van een nieuwe Commissie Parameters.

Die Commissie hield het verwachte aandelenrendement op 7%, waar het nu dus nog steeds op staat. Het obligatierendement, zo stelde de commissie voor moest worden vastgesteld op basis van de termijncurve, wat neerkwam op een rendement van circa 2,5%.

Negatief advies grondstoffen

In het advies stond impliciet een negatief beleggingsadvies voor grondstoffen ten opzichte van aandelen. Voor de categorie grondstoffen werd een brutojaarrendement van 5% aangegeven, met een standaarddeviatie van 20%.

Aandelen kregen bij hetzelfde risico een brutorendement van 7%. Omdat ook nog de kosten van grondstoffen met 0,4% hoger werden ingeschat dan die van aandelen (0,25%, werden de netto verwachte rendementen respectievelijk 4,6% en 6,75% bij hetzelfde (verwachte) risico.

Een feitelijk negatief beleggingsadvies voor grondstoffen! Al met al hebben de adviezen van de voorgaande commissies vanaf 2010 geleid tot een gemiddeld verwacht (meetkundig) aandelenrendement van 7% à 7,25%.

Hachelijke zaak

De MSCI World index scoorde over dezelfde periode een (meetkundig) rendement (in euro) van 11%. Voor de obligaties (alle soorten risico) werd tot 2015 een risico van 4,5% verwacht, later verlaag naar circa 2,5%.

In werkelijkheid werd sinds 2010 een meetkundig rendement van 3,9% gerealiseerd (iBoxx Overall euro). Voor obligaties waren de prognoses niet slecht, terwijl die voor aandelen veel te laag waren. Dat maakt het voor Dijsselbloem c.s. een hachelijke zaak.

De rente(structuur) is nu zodanig dat obligaties met betrekking tot het rendement wel heel zuinig moeten worden ingeschat. Wat aandelen betreft is de vraag of het zeer hoge rendement de komende jaren niet gecorrigeerd gaat worden (mean reversion).

Ik wens de Commissie parameters veel succes en de deelnemers van onze pensioenfondsen veel sterkte.

De Redactie van IEXProfs bestaat uit verschillende journalisten. De informatie in dit artikel is niet bedoeld als professioneel beleggingsadvies, of als aanbeveling tot het doen van bepaalde beleggingen. Het is mogelijk dat redactieleden posities hebben in een of meer van de genoemde fondsen. Klik hier voor een overzicht van hun beleggingen.

Riskmanagement