Peter van Kleef was tot en met 2014 hoofdredacteur van IEXProfs.

Hij is sinds 2001 actief in de financiële journalistiek met een uitgebreid freelance-verleden en een lange geschiedenis bij IEX. Hij is ook de bedenker en samensteller van de IEX Fonds 40 en de IEX Defensieve 30

. Sinds 2015 is Van Kleef chief editor Investment Writing & Translations bij Robeco.
Column

Pringle-ETF's en zandloperfondsen

Wat maakt een fonds tot een goed fonds? Hoog rendement is niet de heilige graal. Maar lage kosten ook niet.

Wat maakt een fonds tot een goed fonds? Wie zelf belegt, kan niet anders dan die vraag onder ogen zien. Tenzij je in individuele aandelen wilt rommelen, met alle gevaren van dien. En ook als adviseur moet je je die vraag stellen. Tenzij je bij een grote private bank werkt en klakkeloos het lijstje van het investment office afwerkt, natuurlijk.

Is het een goed rendement dat een fonds tot een goed fonds maakt? Bovenaan het lijstje prijken? Rendement is belangrijk, maar vaak is een topperformance terug te voeren tot een hoge bèta, die in dalende markten als een boemerang je voorhoofd klieft. Des te pijnlijker omdat het fonds pas op de radar en in de portefeuille kwam na twee of drie jaar puike performance. Je mist de rise en omarmt de fall.

Hoge bèta kun je ook vervangen door een sterke exposure naar risicovolle assets of markten, meer dan de referentieindex. Of andere effecten met hefboomwerking. Hoe dan ook, veel fondsen blijven achter bij hun index, en dat is een vruchtbare voedingsbodem voor het ontstaan van een groeiend leger experts die, vanuit een soort van simplificatiedrang, de wereld terugbrengt naar een zwart-witverdeling. Een beetje zoals in George Orwells ‘Animal Farm’. 

Four legs good. Two legs bad.

Daarbij staat ‘twee poten’ voor hoge kosten (actieve fondsen) en ‘vier poten’ voor goedkoop (ETF’s). Dat mag, als u in een gesimplificeerde wereld wilt leven. En genoegen neemt met middelmaat. Het riekt een beetje naar zesjescultuur (bij voorbaat genoegen nemen met een rendement dat iets achter ligt bij de index), maar er is natuurlijk niks mis mee. Sterker nog, voor veel beleggers is het ongetwijfeld de beste optie.

Pringles
Maar ambities verschillen, smaken verschillen. Sommige mensen houden van chips – de gewone met rafelige randjes en willekeurige vormen – anderen houden van Pringles. ETF’s zijn een beetje de Pringles van de fondsindustrie. Je moet er van houden. Chipsachtige dingen in een tennisballenkoker, waarvan je bij voorbaat precies weet hoe ze er uitzien. En dat ze net niet zo lekker smaken als de allerbeste echte chips. 

(Mocht u denken dat ik weer eens los uit de heup de ETF-industrie op de korrel neem , lees dan even door tot het eind. Mocht u dat niet denken, dan leest u natuurlijk ook door tot het eind).

Een goed fonds vind je, naar mijn bescheiden mening, niet snel terug helemaal bovenaan de rendementslijstjes. En ook niet twee jaar later stijf onderaan datzelfde lijstje. Een goed fonds is ook niet per se goedkoop, wel per definitie niet extreem duur. Een goed fonds is een fonds dat er ‘over de cyclus heen’ in slaagt de index na aftrek van kosten meer dan marginaal voor te blijven. Met de nadruk op ‘over de cyclus heen’.

Zandloperfondsen
Wie nu kijkt naar rendementslijstjes van drie en vijf jaar ziet prachtige rendementen van fondsen die sinds de bodem van maart 2009 duizelingwekkende rendementen hebben behaald. Mooi. Prima. Maar het zegt niks – ik herhaal niks – over bijvoorbeeld het risicomanagement. De markt heeft in die periode niet serieus getest hoe het fonds presteert in tijden van tegenwind. Dit soort lijstjes zijn net zandlopers. Draait de markt, dan bungelt wat daarvoor bovenaan stond, opeens onderaan. 

Een goed fonds kent minder extreme schommelingen. Sprokkelt links en rechts wat outperformance bijeen. En wint in stijgende markten meer op zijn index dan het verliest in dalende markten. Of verliest in dalende markten minder dan het in stijgende markten achterblijft.  En – minstens zo belangrijk – een goed fonds doet wat het belooft. Houdt vast aan zijn stijl en beleggingsfilosofie. 

Nog een belangrijk punt: er is alignment of interest. De fondsbeheerder heeft dezelfde belangen als de participanten in zijn fonds, omdat hij substantieel in zijn eigen fonds belegt. Een goed fonds kan best een minder jaar hebben (voorbeelden genoeg!), maar nooit zo slecht dat zijn meerjarig rendement daardoor voorgoed ontwricht wordt.  De maximum drawdown is van cruciaal belang. 

Letopjes
Kortom, wie voor dit jaar zijn portefeuille nog moet opschonen: staar je niet blind op driejaarsrendement. Staar je niet blind op vijfjaarsrendement. Neem op zijn minst 2008 ook mee, als je naar performance en volatiliteit (en drawdown) kijkt. Probeer te achterhalen hoe consistent het beleid van het fonds en de vermogensbeheerder is.

Wat dat laatste betreft: er zijn fondsen die tamelijk anoniem een subliem trackrecord opbouwen – over de cyclus heen. Maar die dan plotseling beginnen het fonds te verkopen: grote marketingcampagnes, uitbreiding van salesteams in tal van landen, enorme instroom. Het hoeft niet verkeerd te zijn, maar niet zelden is dat het begin van het einde van het succesverhaal.

Tot slot, wees principieel waar het moet, pragmatisch waar het kan. Ondanks mijn voorkeur voor actieve fondsen, bestaat mijn portefeuille louter uit indexfondsen. Simpelweg omdat er bij mijn aanbieder van pensioenbeleggen geen actieve fondsen worden aangeboden en het belastingvoordeel van pensioensparen te aantrekkelijk is om het niet zo te doen. Om maar even duidelijk te maken dat de wereld voor mij niet zo zwart-wit is als wel eens geopperd wordt.

En met ETF's koop je in elk geval geen kat in de zak ;-)


Peter van Kleef was tot en met 2014 hoofdredacteur van IEXProfs. De informatie in deze column is niet bedoeld als professioneel beleggingsadvies of als aanbeveling tot het doen van bepaalde beleggingen.

Online magazine duurzaam beleggen