Marcel Tak is dé special product-specialist van IEX en IEXProfs, maar schrijft ook graag over rente, obligatiemarkt en toezicht als hij zich daartoe geroepen voelt. "De financiële sector is in belangrijke mate bezig met het verplaatsen van lucht. De werkelijke toegevoegd waarde is beperkt. In mijn columns wil ik relativeren, tegenwicht bieden en zo mogelijk de andere kant van de medaille laten zien."

Productrecensie
Alles over obligatie-ETF's

Lekker puzzelen met obligatie-ETF's

Europese staatsobligatie-ETF's blijken dag en nacht van elkaar te verschillen. Zes ETF's hanteren elk een andere index.

In veel beleggingsportefeuilles is het basisonderscheid dat tussen aandelen en obligaties. Aandelen, het is geen verrassing, behoren tot het risicodragende vermogen. Hoe meer de belegger bereid is risico te lopen, hoe groter de positie in aandelen kan zijn. Voor obligaties geldt het omgekeerde. We hebben de afgelopen jaren gezien dat het risicomijdende karakter van vastrentende waarden tegenvalt.

Zelfs staatsobligaties geven geen garantie (meer) dat de hoofdsom onaantastbaar is. Het logische antwoord op dit probleem: spreiding. Dat vergt echter veel van de belegger, waarbij vragen over looptijden, debiteuren en landenblootstelling opdoemen. Om over convexiteit en duration nog maar te zwijgen. Een beleggingsfonds, waarbij de beheerder deze vragen beantwoordt, is een oplossing.

Maar in navolging van de aandelen ETF’s, is er de afgelopen jaren een enorm groot aantal trackers naar de markt gebracht die de prestaties van obligaties volgen, uiteraard via een index. Ook in dit geval is de achterliggende gedachte om tegen lage kosten een flinke spreiding te krijgen. Met in het achterhoofd de idee dat een actieve beheerder er niet in slaagt de benchmarkindex te verslaan.

Iedere ETF zijn eigen index
Ik heb in navolging van mijn Eurostoxx50- en AEX-analyses, een zestal ETF’s beoordeeld die de obligatie-indices volgen. De resultaten van deze analyses vindt u hier:

Er zijn twee zaken die mij zijn opgevallen en die van belang zijn voor de belegger die een positie in een obligatie ETF overweegt. Ten eerste is er een enorme keuze aan indices. Van de zes besproken ETF’s heeft elk fonds een andere onderliggende index. De verschillen kunnen groot zijn.

Zo heeft de iShares obligatie-ETF de Barclays Capital Euro Government Bond 7-10 als onderliggende waarde. Dat lijkt een brede euro-index, maar als je de samenstelling ervan ziet blijkt deze voor tweederde te bestaan uit Duitse staatsobligaties. Voor bijna eenderde zijn er Franse obligaties en er is nog een klein plukje Spaanse leningen opgenomen.

De eurozone bestaat in deze index bijna uitsluitend uit Duitsland en Frankrijk. Andere indices zijn veel breder gespreid met soms wel 250 onderliggende obligaties. Binnen één ETF is de beheerder (Amundi) tussentijds veranderd van een reguliere obligatie-index naar een investment grade-index.

Grote rendementsverschillen 
Naast de verschillende indices in de ETF’s die door mij besproken zijn, is de keuze nog veel groter. Er zijn indices gedifferentieerd naar looptijd, debiteuren(kwaliteit) en landen. Kijkt u maar eens op de sites van Markit, Barclays Capital of EuroMTS. Het is aan u de juiste obligatie-index te kiezen! In ieder geval kan door de gekozen index het behaalde resultaat tussen de ETF’s fors verschillen.

De iShares ETF behaalde in 2011 een rendement 9,63% terwijl de Lyxor ETF bleef steken op 1,64%. Naast de hoge tracking error van de Lyxor ETF, speelde de samenstelling van de index die iShares gebruikt (bestaande uit voornamelijk Duitse obligaties) deze ETF in de kaart. Voor de goede orde: de meeste uitgevers hebben een ruime keus uit ETF’s met veel soorten obligatie indices, breed en smal, als onderliggende waarden. Een aantal daarvan hoop ik binnenkort te bespreken.

Een tweede punt wat mij opviel, is de verschillende methodes om de onderliggende index te volgen. Natuurlijk is er het bekende onderscheid tussen de fysieke en synthetische ETF. De fysieke ETF koopt in principe de componenten van de onderliggende index, terwijl de synthetische variant via derivaten de index probeert te volgen. Fysieke replicatie is met obligaties nog niet zo eenvoudig, zeker als het een bredere obligatie-index met een groot aantal leningen betreft.

Geen exacte replica
Alleen al vanwege het ontbreken van een “closing” ter bepaling van de slotkoersen op de beurs (wel gehanteerd voor aandelen) is exacte replicatie uitermate lastig. Het is alleen goed werkbaar bij een index met een beperkt aantal leningen. Daarom zijn er voor fysieke replicatie twee alternatieve methoden, naast de exacte replicatie.

  • De ETF kan niet alle, maar slechts een representatief deel van de onderliggende obligaties kopen. Dat scheelt transactiekosten en de mogelijk grotere afwijking van de index wordt dan gecompenseerd door lagere transactiekosten. Deze ETF’s zullen in het algemeen minder obligaties in positie hebben dan de onderliggende index.
  • De ETF koopt niet exact de obligaties uit de index, maar qua voorwaarden gelijksoortige leningen. Dat speelt met name als de index minder liquide obligaties bevat, waarbij de beheerder dan kiest voor een beter geprijsd alternatief. In deze situatie kan het vorkomen dat de ETF méér obligaties bevat dan waaruit de onderliggende index bestaat. Ook nu weer moeten de lagere kosten de kans op een grotere afwijking compenseren.

Bij volledige fysieke replicatie is de kans op een hoge tracking error het kleinst. Dat blijkt ook uit het resultaat van de iShares ETF, de enige ETF de deze methode toepast. Bij de andere methode moet de belegger een mogelijk positieve maar ook negatieve afwijking van de index accepteren. Om alle onderzoeksresultaten rustig te bekijken verwijs ik u naar de recensies op IEXProfs.

Hier vindt u, nogmaals, de zes recensies:


Marcel Tak is zelfstandig beleggingsadviseur en oprichter/beheerder van het Bufferfund. De informatie in deze column is niet bedoeld als professioneel beleggingsadvies of als aanbeveling tot het doen van bepaalde beleggingen.

Online magazine duurzaam beleggen