Marcel Tak is dé special product-specialist van IEX en IEXProfs, maar schrijft ook graag over rente, obligatiemarkt en toezicht als hij zich daartoe geroepen voelt. "De financiële sector is in belangrijke mate bezig met het verplaatsen van lucht. De werkelijke toegevoegd waarde is beperkt. In mijn columns wil ik relativeren, tegenwicht bieden en zo mogelijk de andere kant van de medaille laten zien."

Nieuws

Toprendementen: die goeie oude tijd

Waar is de tijd gebleven dat een simpele buy and hold-strategie de superieure beleggingstechniek was?

Waar is de tijd gebleven dat een simpele buy and hold-strategie de superieure beleggingstechniek was? De tijd dat u gewoon een portefeuille van aandelen en obligaties samenstelde en vervolgens de markt het werk liet doen.

Dat werk kon u rustig aan de markt overlaten. Natuurlijk, een echte langetermijnbelegging betekende niet een recht oplopende streep in resultaten. Af en toe was het ook met samengeknepen billen de ontwikkelingen volgen en hopen dat na een forse koerscorrectie alles weer goed zou komen.

Maar het mooie was: alles kwam steeds goed. Als ik kijk naar de beleggingsresultaten sinds 1981 dan zie ik verbluffende cijfers. Ondanks de zwarte maandag in 19987, ondanks de (Aziatische) valutacrisis in 1997, ondanks de internetbubbel en 9/11 in de periode 2001 en 2003. En ondanks de kredietcrisis, gevolgd door de eurocrisis in 2007 en 2011.

Het bleef maar feest

De cijfers vanaf ultimo 1981 spreken boekdelen. De CBC herbeleggingsindex stond in dat jaar op een niveau van 50 punten. Eind 2003 was de stand opgelopen tot 1.000 punten. Het feest voor aandelenbeleggers was toen nog niet voorbij. Vanaf die tijd tot en met juni van dit jaar steeg de MSCI Netherlands index nog eens met 115%.

Dat betekent dat een gemiddelde aandelenbelegging in 1981 van (omgerekend) 50 euro halverwege 2016 zou zijn uitgegroeid tot een waarde van 2.115 euro. Dat is een alleszins bevredigende 11,47% op jaarbasis. Tegen dit soort percentages kan geen smart bèta, high dividend of low vol-strategie op.

Het perfecte jaarrendement weerspiegelt zeker de goede prestaties die het (beursgenoteerde) bedrijfsleven op lange termijn heeft geleverd. Maar er is nog een andere belangrijke, zelfs doorslaggevende factor: de rente. Sinds 1981 heeft de rente een dramatische duikeling gemaakt.

Eeuwigdurende obligaties

Eind 1981 lag de rentevergoeding op langlopende (10 jaar) staatsleningen tegen de 13%. Halverwege 2016 lag de rentevergoeding op circa 0%. Dat heeft beleggers in obligaties geen windeieren gelegd. Het in potentie rendement dat gepaard gaat met zo'n enorme rentedaling is nog lastig te berekenen. Alles hangt samen met de looptijd van de aan te houden obligaties.

Daarnaast speelt natuurlijk het (debiteuren)risico een grote rol. Dit laatste effect kunnen we (nagenoeg) geheel uitschakelen door als bron Nederlandse staatsobligaties te nemen. Dan blijft alleen het looptijdprobleem over. Als u in 1981 in een 13% 10-jarige staatslening had belegd, zou deze na tien jaar zijn afgelost. De herbelegging moet dan tegen een aanzienlijk lagere rente, waardoor het totaalrendement (veel) lager dan 13% uitkomt als het om de gehele periode 1981-2016 gaat.

De enige methode om ook het looptijdeffect te elimineren, is de berekening te maken met eeuwigdurende obligaties. In Nederland zijn er drie perpetuals uitgegeven door de Nederlandse staat. De 3% Grootboek. zoals de officiële naam luidt, noteerde eind 1981 een koers van 31%. Eind juni van dit jaar was de koers opgelopen tot 335%.

Slechts 1% meer

Over de gehele periode betekent dit een rendement van 12,04%. Dat is opmerkelijk, het percentage van deze, qua debiteur, risicomijdende belegging, deed het beter dan de risicodragende aandelenbelegging. Maar het (theoretische) obligatierendement is eigenlijk nog veel beter dan dit feitelijk cijfers aangeeft. In de beginjaren tachtig was de markt in de Grootboeken al gebrekkig.

Maar tegenwoordig is de markt geheel bepaald door de inkoop van het ministerie van Financiën. Het ministerie bepaalt de inkoopprijs aan de hand van een eenvoudige rekensom: de coupon gedeeld door het rendement van de staatsobligatie die in 2042 afloopt. Het rendement op deze lening was halverwege dit jaar circa 0,5%. Dat betekent dat de koers van de obligatie geen 335 euro zou moeten zijn, maar 600.

Minsister Jeroen Dijsselbloem heeft om begrijpelijke reden echter een plafond aan de inkoopkoers gesteld van 335. Theoretisch zouden de beleggers, bij een koers van 600 voor de 3% Grootboek, over de gehele periode dan een rendement hebben behaald van 13,13%. Opvallend in dit cijfer is overigens dat een bijna verdubbeling van de koers van 335 naar 600 euro betekent dat beleggers sinds 1981 "slechts" 1% meer rendement op jaarbasis zouden hebben ontvangen.

Fraai, maar somber

Anders gezegd, we zien dat een klein rendementsverschil, van in dit geval 1%, tot een enorm effect op de waardegroei over een langere periode betekent. De rendementscijfers over de afgelopen 35 jaar zijn fraai, maar stemmen tegelijk somber. Althans, wat de rendementsvooruitzichten voor zowel aandelen als obligaties betreft. Hoe zou een column als deze er over 35 jaar, in 2051, uitzien?

Voor obligaties is het verhaal snel verteld. Een jaarlijks rendement van meer dan 10% zal zeker niet aan de orde zijn. Het zou betekenen dat de rente naar niveaus gaat waarvoor een soort Kelvin-obligatieschaal ontwikkeld moet worden. Op zijn best (als het om obligatierendement gaat) zou er gedurende een hele lange periode een stabilisatie van de huidige lage rente kunnen optreden.

Een jaarrendement tussen 0% en 1% op risicomijdende obligaties is dan het maximaal haalbare. Waarschijnlijker is het dat de langetermijn obligatie belegger tegen een flinke scheur in de waarde van zijn portefeuille gaat oplopen door een (flink) stijgende rente. Dat verlies zal nauwelijks gecompenseerd worden door het rendement op aandelen.

Harde landingen waarschijnlijk

Natuurlijk kan het beursgenoteerde bedrijfsleven de komende decennia weer prachtig presteren. Maar we weten ook dat dit gepaard gaat met flinke schokgolven. Het negatieve effect van die golven werden in het verleden opgevangen door het vangnet van de eeuwigdurende rentedaling. Dat zal nu niet het geval zijn. Harde landingen van de aandelenmarkt, zonder een sterk herstel nadien ,worden waarschijnlijker.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de welvaart de komende decennia nauwelijks zal groeien. De technologische ontwikkeling, met zo af en toe grote doorbraken, zal daarvoor zorg dragen. Maar het delen in die welvaart zal meer en meer weer van hard werken moeten komen en niet van bijna automatisch gegenereerde koerswinsten op zowel obligaties als aandelen.

Alleen de slimme belegger zal mogelijk een meer dan evenredig deel van de schraalhans-is-keukenmeester-groei naar zich toe kunnen trekken. Een voedingsbodem voor een onstuimige groei aan smart bèta-strategieën. Als dat maar goed gaat...

Marcel Tak is zelfstandig beleggingsadviseur en oprichter/beheerder van het Bufferfund. De informatie in deze column is niet bedoeld als professioneel beleggingsadvies of als aanbeveling tot het doen van bepaalde beleggingen.

Lees meer

Alternatieve beleggingen