Interview

"Pensioensector, houd rekening met de grote trends"

Het Nederlandse pensioenstelsel moet op de schop. En snel een beetje, aldus hoogleraar Pensioenmarkten Fieke van der Lecq, die niet schroomt om de vinger op een aantal zere pensioenplekken te leggen.

Het vertrouwen in de Nederlandse pensioensector heeft door de crisis een stevige knauw gekregen. Was dat terecht?

Fieke van der Lecq: “Dat vertrouwen is niet opeens verdwenen. Dat was al voor het uitbreken van de crisis aan het dalen. Mensen kregen in de gaten dat de hoogte van hun pensioen er weleens anders uit zou kunnen zien dan gedacht. Door de crisis werd het allemaal duidelijker. Er is toen voor het eerst over korten gesproken.”

Dat was een hele schok.

“Een pensioen is geen verzekering. Als dat wel zo zou zijn, zou het veel duurder zijn. Maar inderdaad, het kan zijn dat mensen dachten dat de belofte een garantie was. Inmiddels is de communicatie eerlijker en ook begrijpelijker.”

En daarmee is de vertrouwenscrisis opgelost?

“Er moet overeenstemming zijn tussen gewekte verwachtingen en wat vervolgens wordt gerealiseerd. Dat hangt vooral van de pensioenregeling af. De verschillen zijn groot. Bij sobere regelingen is prijsindexatie gemakkelijker aan te bieden dan bij riante regelingen. Het terugwinnen van het vertrouwen is dus niet alleen een taak van de fondsen, maar ook van de sociale partners die de regelingen met elkaar afspreken.”

Aan de andere kant, als de rente stijgt, dan stijgen de dekkingsgraden en zijn de problemen opgelost.

“Dat lijkt me niet de juiste analyse. De rente gaat de problemen zeker niet oplossen. De bevolking wordt nog altijd steeds ouder. Ook kunnen rendementen langdurig laag blijven. Daarnaast verandert de arbeidsmarkt, waardoor mensen vaker van baan veranderen, zodat de regelingen niet meer passen. De samenleving zelf verandert ook. De solidariteit wordt minder. Dan is er nog Europa dat nadenkt over pan-Europese pensioenregelingen. De effecten van deze trends verschillen per fonds, maar zeker is dat de stijging van de rente deze trends niet tegenhoudt. Vandaar het SER-advies uit 2015 om het Nederlandse pensioenstelsel aan te passen.”

“Als rendementen vroeger tegenzaten, viel het minder op. Er kon nog worden geschoven met potjes. Dat kan niet meer”

Intussen neemt het aantal Nederlandse pensioenfondsen sterk af: van iets meer dan duizend in 1997 naar minder dan driehonderd vorig jaar. Hoeveel fondsen blijven er over?

“Ik denk minder dan honderd. De uitvoeringskosten worden voor een heel groot deel bepaald door schaalvoordelen. De drang om te vergroten neemt hierdoor begrijpelijkerwijs toe. Tegelijkertijd is er maar een beperkt aantal pensioenprofessionals in het land.”

Wat moeten de overblijvende fondsen vooral goed kunnen?

“Een goed pensioen leveren. Als de rendementen vroeger tegenzaten, viel het minder op. Er kon nog worden geschoven met potjes. Dat kan niet meer.”

Wat betekent dit voor pensioenbeleggers?

“Dat zij kritischer worden gevolgd en strakker worden aangestuurd. Als zij hun vak niet goed verstaan, dan loopt de klant weg.”

In uw oratie vorig jaar uitte u grote zorgen over de Nederlandse pensioensector. “Als die zich niet snel genoeg weet aan te passen, verdwijnt de sector. De noodzaak van veranderen is urgent.” Dat klinkt dreigend.

“Daarmee wilde ik zeggen: pensioensector, houd rekening met de grote trends die nu spelen!”

“Onderzoek laat zien dat schaalvoordelen voor pensioenfondsen enorm zijn. Niettemin houden veel fondsen vast aan hun eigenheid en zijn ze bereid hiervoor veel pensioenresultaat in te leveren”

Fieke van der Lecq

Maar de pensioensector kan moeilijk in rook opgaan, met al het beheerde geld.

“Er zijn genoeg andere partijen die graag dat pensioengeld willen beheren, zoals verzekeraars, PPI’s, APF’en, PP’en en OFP’s. Het dwingt traditionele Nederlandse pensioenfondsen tot aanpassingen om aantrekkelijk te blijven.”

Eigenlijk zegt u dat de pensioensector eindelijk eens professioneel te werk moet gaan. Dat is niet meer dan normaal.

“Klopt, maar in de pensioensector bestond lange tijd geen marktwerking. Iedereen moest verplicht meedoen. Toen ik bij de NMa werkte, ben ik begonnen met het uitwerken en vormgeven van de mededingingsregels voor de pensioenfondsen. Toen was het ongebruikelijk, zo niet ongewenst, om het over pensioenmarkten te hebben. Daar was heel veel weerstand tegen. Marktwerking betekent concurrentie, innovatie, meegaan met de tijd, aantrekkelijk blijven. Dat is nieuw voor deze sector. Iedereen zat lekker in zijn eigen tuintje, begrensd door hekjes die door de wetgever waren geplaatst. Dan is het griezelig als de hekjes er niet meer zijn. Dat is ook de reden dat er veel weerstand in Nederland is tegen de plannen van Europa om een pan-Europees derde pensioenpijler voor individuen te lanceren.”

De pensioensector moet zich aanpassen aan nieuwe realiteiten. Dan helpt het om wetenschappelijke inzichten toe te passen. Met welke inzichten kunnen pensioenfondsbestuurders hun voordeel doen?

“In de financiële economie zijn de voordelen van levenscyclusbeleggen bekend. Toch beleggen veel pensioenfondsen nog uniform en koesteren zij de doorsneeopbouw. Ook laat onderzoek zien dat schaalvoordelen voor pensioenfondsen enorm zijn. Niettemin houden veel fondsen vast aan hun eigenheid en zijn ze bereid hiervoor veel pensioenresultaat in te leveren. Een ander voorbeeld: wetenschappelijk onderzoek naar diversiteit is niet altijd even gedegen waar het gaat om het aantonen van causaliteit, maar de correlaties met resultaten voor organisaties zijn tamelijk sterk. Niettemin schiet het nog amper op met die diversiteit. In pensioenfondsbesturen zijn nog altijd veel te weinig vrouwen en ook te weinig jongeren te vinden. Het is jammer als zulke wetenschappelijke inzichten niet gebruikt worden.”

Maar daar is Netspar, het overlegorgaan tussen pensioensector, overheid en wetenschap, toch speciaal voor opgericht?

“Absoluut! Alleen het schiet nog niet zo op. Maar het ene fonds is het andere niet. De verschillen zijn groot. Sommige zijn echt heel innovatief bezig.”

Waarom zouden er überhaupt nog pensioenfondsen moeten zijn als mensen ook hun eigen pensioen bij elkaar kunnen beleggen?

“Om de risico’s te delen. Het eerste risico is dat we ouder worden dan gedacht. Als je daar in je eentje voor moet sparen, dan moet je sparen voor het geval je 105 wordt. Omdat mensen dat meestal niet worden, spaart iedereen al snel te veel. Dat micro-langlevenrisico wil je met elkaar delen. Dan bestaat er nog het macro-langlevenrisico. Dat is het risico dat de populatie als geheel ouder wordt dan gedacht. Je daartegen verzekeren lukt niet, maar het verlies kan eerlijk worden verdeeld. Dan bestaan er nog tal van beleggingsrisico’s, waarbij de een mazzel heeft en de ander pech. Bij een grote crisis heeft de een nog maar een klein potje over en de ander een heel grote pot. De extreme winsten en verliezen kun je delen. Dat is precies wat het advies van de SER uit 2015 behelst.”

Wat is de belangrijkste voorgestelde verandering daarin?

“Het aanhouden van een persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling. Het pensioenvermogen fluctueert, maar de dreiging van afstempelen is verdwenen. Er wordt niets meer toegezegd, dus er zijn ook geen kortingen meer. Door de collectiviteit van deze regeling kan er gewoon na de pensioendatum worden doorbelegd. Daar ben ik een groot voorstander van, want juist op het moment dat de pensioenpot het grootst is, wil je rendement scoren. En omdat je het samen doet, worden de risico’s op extreme uitslagen gespreid. Dat is de essentie van de SER-variant. Maar sociale partners moeten het er eerst over eens worden. Pas dan kan het kabinet ermee verder.”

Vaarwel DB, dus.

“Bij DB¹ heeft de sponsor de plicht om bij te storten. Dat is bij minder dan 10% van alle regelingen nog het geval. De meeste regelingen zijn verschoven van DB in de richting van DC², dat zijn de zogenoemde CDCregelingen: Collective Defined Contribution. Dan heb je nog de echte Defined Contribution, oftewel de IDC, de Individual Defined Contribution. Dat zijn er ook minder dan 10%. Dat is zonder onderlinge risicodeling. In accounting termen bestaat er alleen DB en DC. Dat verklaart de huidige begripsverwarring.”

Onderwijl is het wachten nog altijd op dat nieuwe pensioenstelsel. Wanneer is de discussie eindelijk afgerond?

“Een nieuw stelsel? Nee, het gaat om een continue verbouwing, waardoor het stelsel zoals dat nu bestaat, beter wordt. De wereld verandert. Dat dwingt tot aanpassingen.”

Dus de vraag naar het ideale pensioenstelsel is de stomste vraag die je aan een pensioendeskundige kunt stellen?

“Inderdaad, dat is hetzelfde als de vraag: hoe ziet de ideale stad eruit?”

Uw boodschap aan pensioenfondsbestuurders?

“Dat zij zichzelf steeds weer dezelfde twee vragen stellen. Doet mijn fonds het even goed als het andere? En meer algemeen: zijn pensioenfondsen nog altijd voldoende toegerust voor de toekomst? Wij hebben een prima stelsel, maar het moet wel met de tijd meegaan.”


Wie is Fieke van der Lecq?

Van der Lecq (1966) combineert de nodige functies. Daarom een greep uit haar cv. Na haar promotie in de Monetaire economie aan de Rijksuniversiteit Groningen was zij onder andere lid van de Commissie Financiële Verslaggeving en Accountancy van de AFM, deeltijdhoogleraar Pensioenmarkten aan de Erasmus Universiteit, manager Monitor Financiële Sector van de NMa en commissaris bij Delta Lloyd. Nu is zij onder meer commissaris bij Triodos Bank, Achmea Vastgoed en Arriva, kroonlid van de SER en deeltijdhoogleraar Pensioenmarkten aan de Vrije Universiteit Amsterdam.


¹Defined Benefit: pensioenregeling waarbij de pensioenuitkering vooraf wordt toegezegd, op basis van eindloon- en middelloonregelingen. De hoogte van het pensioen is gekoppeld aan salaris en dienstjaren.

²Defined Contribution: De precieze hoogte van het pensioen is pas duidelijk als iemand met pensioen gaat. De hoogte is afhankelijk van de betaalde premie en de daarmee behaalde beleggingsopbrengsten

Fintech