Marcel Tak is dé special product-specialist van IEX en IEXProfs, maar schrijft ook graag over rente, obligatiemarkt en toezicht als hij zich daartoe geroepen voelt. "De financiële sector is in belangrijke mate bezig met het verplaatsen van lucht. De werkelijke toegevoegd waarde is beperkt. In mijn columns wil ik relativeren, tegenwicht bieden en zo mogelijk de andere kant van de medaille laten zien."

Column

ETF's: Verborgen kosten? Verborgen informatie!

De (prijs)concurrentie binnen de indexwereld is moordend. Lage kosten zijn mooi voor beleggers, maar heel vaak zijn er verborgen kosten bij ETF’s. Opletten dus, aldus Marcel Tak.

Dat indexbeleggen zich in een grote populariteit mag verheugen, is geen geheim. Regelmatig lezen we dat het aantal indexfondsen wereldwijd verder is gestegen. Voor de reden achter de groei is ook al geen rocket science vereist.

Indexbeleggen levert in het algemeen superieure resultaten in vergelijking met stockpicking. Ter illustratie: in 2018 presteerde 86% van de op Europese aandelen gerichte fondsen slechter dan de benchmark. Over een periode van drie jaar lag dat percentage op 80.

Wat betreft Amerikaanse aandelen waren de cijfers voor de actieve fondsen voor 2018 iets gunstiger, maar voor de driejaarsperiode juist weer minder gunstig met respectievelijk 64% en 82%.

Loont niet

De cijfers zijn afkomstig van SPIVA, het researchbedrijf van indexuitgever S&P. Het is duidelijk dat het doorgaans niet loont dure research in te zetten om tot betere prestaties te komen.

Kennelijk lukt het niet op deze manier aandelen te selecteren die gemiddeld beter presteren dan de index. Of, anders gezegd, de kosten van de research zijn zodanig hoog dat het eventuele betere beleggingsresultaat niet opweegt tegen de lage kosten van indexbeleggen.

Lees ook: Aandelenresearch is een collectief goed

Race to the bottom

Die lage kosten blijven hét unique selling point van de ETF. De race to the bottom als het om kosten gaat, wordt geillustreerd door het bericht dat onlangs de eerste ETF naar de markt is gebracht met een negatieve beheervergoeding (-0,05%).

Het betreft weliswaar een tijdelijke actie, maar het geeft aan dat de concurrentie binnen de indexwereld moordend is. Dat is mooi voor beleggers die de ETF omarmen vanwege de almaar dalende kosten. Soms is er echter een bericht waardoor het lijkt dat het met die kosten van indexfondsen misschien toch niet zo gunstig is als wordt voorgesteld.

Recentelijk werd ik geattendeerd op een onderzoek van Winton uit 2015, waaruit zou blijken dat er flinke verborgen kosten in ETF’s zouden zijn. Winton is een in beleggingsonderzoek gespecialiseerde onderneming.

Tien basispunten

De researchonderneming concludeert in onderzoek dat er aanzienlijke verborgen kosten ontstaan, omdat indexfondsen vaak niet efficiënt aandelen transacties uitvoeren die nodig zijn als gevolg van regelmatige wijzigingen in de samenstelling van de onderliggende index.

Uit het onderzoek blijkt dat deze verborgen kosten voor de MSCI World Index oplopen tot tien basispunten. Ook voor de S&P500-indexfondsen werd een dergelijk percentage gevonden. Het onderzoek betreft de periode 2011-2015.

Voor die tijd, over het tijdvak 1990-2011, werden de verborgen kosten geschat op zelfs 20 basispunten. De reden voor het rendementsverlies door inefficiënte transacties is dat op het moment waarop aangekondigd wordt dat een aandeel in (of uit) de index gaat, het aandeel in koers stijgt (of daalt).

Systematisch transactieverlies

Indexfondsen (ver)kopen het aandeel pas als het aandeel daadwerkelijk in de index wordt opgenomen of eruit wordt verwijderd. Dat leidt tot systematisch transactieverlies, wat volgens het onderzoek uitkomt op circa tien basispunten.

Uitgangspunt is dat de aandelen vijf dagen voor de daadwerkelijke indexveranderingen worden gekocht (verkocht). De reden dat het verschil kleiner is geworden dan de eerder berekende 20 basispunten is dat steeds meer beleggers anticiperen op de daarbij behorende koerseffecten.

Door deze in omvang toegenomen arbitrage wordt het effect vanzelf kleiner.

Voorspelbare kosten

Het onderzoek is zeker interessant, maar ik heb er moeite mee om te spreken over verborgen kosten. Er zijn zoveel factoren die de index laten bewegen, waar indexveranderingen er een van zijn. Kennelijk beschouwen de onderzoekers de voorspelbaarheid van deze verandering als argument om ze als verborgen kosten te typeren.

Dat blijkt uit het feit dat Winton aangeeft dat in een vroegere periode de kosten 20 basispunten zouden zijn. Ik denk dat die 20 basispunten er nog steeds zijn, maar dat beleggers eerder dan de door de onderzoekers gehanteerde vijf dagen (dus voor de officiële aankondiging) al op de wijzigingen anticiperen en de aandelen kopen of verkopen.

Anders gezegd, de 20 basispunten bestaan mogelijk nog steeds, maar tien daarvan zijn onvoorspelbaar geworden. De overige tien zijn wel voorspelbaar en daarvan zouden actieve beleggingsfondsen kunnen profiteren. Maar de verborgen kosten komen dan nog steeds op 20 basispunten uit.

Minder relevant

Die tien voorspelbare basispunten zouden door intelligentere aankopen door het indexfonds geïncasseerd kunnen worden, maar dat gaat wel gepaard met een toename van de tracking error. De tracking error is belangrijk, dus helemaal zonder prijs kunnen die tien basispunten niet worden verdiend.

Het blijft voor de gewone belegger een theoretische conceptie en daardoor minder relevant. Ik bekijk daarom de echte verborgen kosten van de ETF op de S&P500-index over de afgelopen vier kalenderjaren.

Dat doe ik door eerst de werkelijke kosten van de ETF te berekenen. Die worden gemakkelijk zichtbaar via de simpele en efficiënte methode die ik al jaren hanteer om de kosten van een indexfonds te berekenen.

Verborgen kosten

Om de werkelijke kosten van een ETF te bepalen moet het brutoresultaat van de index vergeleken worden met de prestatie van het betreffende fonds.

Het berekende verschil zijn de totale werkelijke kosten, die bestaan uit de Total Expense Ratio (TER: beheersfee van de ETF, operationele kosten, de transactiekosten) en de overige (verborgen) kosten.

De TER wordt door de uitgever van de ETF gegeven. Het verschil tussen de werkelijke kosten en de TER zijn de echte verborgen kosten, zoals de afhandeling van de ingehouden dividendbelasting en impliciete transactiekosten (de spread bij aan-en verkoop van de effecten).

Zeer beperkt

Ik bekijk de resultaten van twee grote aanbieders: BlackRock (iShares) en Vanguard. Beide blijken van 2015 tot en met 2018 jaarlijks totale werkelijke kosten te hebben van respectievelijk 0,045% en 0,0375%. De TER van de twee ETF’s bedroeg 0,04% en 0,03%.

De verborgen kosten van de twee ETF’s zijn daarmee uiterst beperkt: 0,005% en 0,0075%. We kunnen dus werkelijk stellen dat de fondsen erin slagen tegen minieme kosten de belegger te laten deelnemen in deze benchmarkindex.

Helaas betreft het ETF’s die alleen in de VS bereikbaar zijn en niet voor Nederlandse beleggers. Die moeten het, wat de iShares S&P500-ETF betreft, met de Europese UCITS-versie doen, met een rendement dat de afgelopen vier jaar 0,35% lager lag dan de Amerikaanse versie.

Verborgen informatie

Ook erg: op de website van iShares wordt de VS-variant van de ETF keurig vergeleken met de bruto-S&P500-index. De Europese versie wordt echter vergeleken met de netto-S&P500-index.

Kennelijk hoeven Europese beleggers minder goed – of beter: onvolledig – geïnformeerd te worden dan Amerikaanse beleggers. Met dank aan de Europese toezichthouders. Verborgen informatie vind ik minstens zo erg als verborgen kosten!.

Marcel Tak is zelfstandig beleggingsadviseur en oprichter/beheerder van het Bufferfund. De informatie in deze column is niet bedoeld als professioneel beleggingsadvies of als aanbeveling tot het doen van bepaalde beleggingen.

Riskmanagement