31 mrt 2010, 10:00 - Dr. Hoe
Beste Dr. Hoe,
Hoe kom ik achter de werkelijke kosten van mijn beleggingen?
De dokter antwoordt
Mensen gaan steeds meer op de kosten letten. Bij beleggen is dit overigens heel verstandig, aangezien er grote verschillen tussen dienstverleners bestaan. Net als bij abonnementen voor mobiele telefoons zijn er talloze vormen van tarieven, die ook nog eens slecht te vergelijken zijn. Er zijn vaste kosten en percentages, en er zijn zichtbare en onzichtbare kosten. Lastige materie dus. Ruwweg zijn er drie kosten soorten te onderscheiden.
- Kosten van de dienstverlener
- Kosten van de transactie (“slippage”)
- Kosten binnen de beleggingen
Om de kosten van de dienstverlener te bekijken is het belangrijk te weten welke dienst u precies afneemt. Doet u bijvoorbeeld alles zelf (via internet) of belegt u met advies. Of heeft u een vermogensbeheerder ingeschakeld die al het werk uit handen neemt? Als u het zelf doet, heeft u in elk geval te maken met transactiekosten en bewaarloon. Daarnaast kan er sprake zijn van kosten rondom dividenden en rentebetalingen, vaste regelkosten, kosten van uitoefening van opties, correspondentkosten en dergelijke.
Belegt u met advies, dan komen alle voorgaande kosten ook voor. Daarnaast wordt een vaste of procentuele opslag berekend voor de adviesdienst. Bij vermogensbeheer is meestal sprake van een percentage van uw vermogen onder beheer en een performance fee. Soms is dit inclusief transacties, maar meestal komen die kosten er nog bij. Vaak zijn die kosten onderhandelbaar, vooral bij grotere vermogens. Ook hier kunnen dan alle voorgaande kosten weer voorbij komen.
Bent u klant bij een zelfstandig vermogensbeheerder? Deze partijen doen zaken met een bank voor de uitvoering en bewaring. Meestal is dit Theodoor Gilissen of Binck Professional Services. Van de transactiekosten die deze instellingen u berekenen gaat tot circa 80% retour naar uw vermogensbeheerder. Overigens zijn er wel degelijk beheerders die dit niet doen en u een nette prijs (laten) berekenen voor transacties of een all-in tarief hanteren. Naast deze zichtbare kosten, zijn er ook nog de onzichtbare kosten.
Deze kosten worden “slippage” genoemd. Dit is de marge die de tegenpartij (dus niet uw bank of broker) aanhoudt bij uitvoer van de transactie. Deze vorm van kosten is weerbarstig te kwantificeren, maar zeker niet onbelangrijk. Om het wat duidelijker te maken: ga uw auto maar eens elke kwartaal inruilen voor een andere. De rode loper gaat uit bij uw dealer. Elke inruil levert immers marge voor uw tegenpartij (de dealer) op.
Hoe lager de liquiditeit, hoe hoger de slippage
Bij liquide beleggingen met veel competitie is die marge erg laag, hooguit enkele centen. Bij opties is het al wat hoger: 5 tot 10 cent is redelijk normaal. Bij beleggingsfondsen kan het variëren van nul tot zelfs 5%. Ook bij obligaties loopt het vaak op al op tot 1%. Belangrijk om rekening mee te houden dus, zeker bij renteproducten met een laag beoogd rendement. In het algemeen geldt; hoe minder competitie (gedwongen winkelnering, verkoop eigen producten/huisfondsen of een exotisch product) hoe meer slippage. Dan zijn er nog de kosten ‘binnen’ de belegging. Een los aandeel of obligatie kent geen aparte interne kosten, in tegenstelling tot beleggingsfondsen, gestructureerde producten, of vastgoedmaatschappen.
Het analyseren van deze kosten is een vak apart en voor een particuliere klant vrijwel ondoenlijk. Bij een beleggingsfonds is de TER (Total Expense Ratio) de eerste indicatie van de kostenvoet. Meestal zit deze in de buurt van de 1,25%. Maar daar houdt het niet mee op. De kosten van transacties, onderliggende beleggingen en performance fees komen er nog bij. Vooral bij zogenaamde fund-of-funds bedragen de onzichtbare kosten al gauw enkele procenten per jaar. Ook wordt vaak een kickback- of distributievergoeding aan de bank of broker die het aankoopt verstrekt.
Hoe transparant bent u, meneer de vermogensbeheerder?
Rest de vraag hoe transparant uw vermogensbeheerder is. De volledige tarieven van uw dienstverlener staan meestal op de website. Daarmee kunt u dus met wat rekenwerk punt 1 (kosten dienstverlener) afkaarten. Ten aanzien van punt 2 (de slippage) is dat al een stuk lastiger lastiger. Er zullen aannames gemaakt moeten worden, bijvoorbeeld van de gemiddelde spread per productcategorie. Die moet dan vermenigvuldigd worden met de gemiddelde transactie-omvang om deze kostenpost te kunnen berekenen.
Punt 3 (kosten binnen de beleggingen) is te achterhalen, maar is ook bijzonder lastig. Sinds enige tijd is uw bank, broker of vermogensbeheerder echter verplicht om aan te geven óf, en zo ja, hoeveel vergoedingen er precies ontvangen worden uit uw beleggingen en transacties. Dit is op grond van de zogeheten inducementregeling. Niet alle partijen staan er om te springen om deze informatie zomaar met u te delen. Enig aandringen is soms nodig, en dan nog zullen veel partijen er een draai aan proberen te geven. Verder is elk beleggingsfonds verplicht via internet de jaar- en halfjaar rapportage te publiceren. Met enig zoekwerk kunt u dan ook een goed beeld krijgen van de (recente) totale interne kosten. U moet er wel zelf het nodige huiswerk voor doen.
Deze Dr.Hoe is geschreven door Marc Vijver, directeur van The Index People
Dr. Hoe is het pseudoniem van de experts uit het columnistengilde en de redactie van IEXProfs. Stuur hier uw vraag of reactie aan Dr. Hoe.